Page header
Nieuws Preek van de week Ziet God mij? (1 Sam. 16: 1 - 13)
dynamisch-menu-plaatje6.png

Kerkenraad

Gerrit van Maren
Reageren>>

Ziet God mij? (1 Sam. 16: 1 - 13) PDF Print E-mail
zondag, 25 september 2011


1. God kijkt anders naar mensen dan wij vaak doen 

Wij mensen gaan vaak op de buitenkant af of we iets met mensen willen/kunnen. Zeker in onze cultuur spelen uiterlijkheden (status, carriere, uiterlijk, etc.) een belangrijke rol. Daar wordt de onderlinge sfeer lang niet altijd beter van. Maar als je op de buitenkant afgaat, dan kun je je lelijk vergissen in mensen. Dat kan de beste overkomen: het overkwam Samuel ook. Hij ging de mist in bij zijn opdracht om een zoon van Isai te zalven tot koningen. Als de zonen zich gaan voorstellen, dan is Samuel onder de indruk van de oudste, Eliab. Daar zag Samuel het wel in zitten omdat Eliab er met kop en schouders bovenuit stak, een man met charisma. God corrigeert Samuel echter direct: ‘de mens kijkt naar het uiterlijk, naar wat voor ogen is. Maar ik zie het hart aan.’ God kijkt anders. En hij zag de jongste, die er niet eens bij geroepen was, die niet in tel was, met wie misschien wel iets aan de hand was.

Zo gaat het echter bij God vaak: degene die naar de maatstaven van mensen de minst waarschijnlijke kandidaat is, wordt door God gebruikt voor de uitvoering van zijn plannen. De vraag voor ons is dan of wij kijken op de manier van Samuel of op de manier van God, die ook zo duidelijk is getoond in Jezus.

2. God kijkt naar het hart 

God zag niet op het uiterlijk om een koning te vinden, maar hij keek naar naar het hart. In de bijbel het centrum van iemands persoon, het diepste wat er in iemand omgaat, hoe iemand echt is. En God zag daar iets – in het hart van David – waardoor hij hem koning wilde maken. Misschien wel omdat Davids hart op Gods hart leek… (daarom wordt David elders in de bijbel een man naar Gods hart genoemd). Nu had David nog veel meer talenten en gaven. Maar doorslaggevend was zijn hart – daarom kon God hem gebruiken als de nieuwe koning. Want juist op het punt van het hart was het bij de vorige koning Saul misgegaan.

De vraag voor ons is dan hoe het zit met je hart. Doorslaggevend namelijk of God iets met ons kan, is ons hart.

3. Als God je op het oog heeft, dan ben je iemand

We willen allemaal iemand zijn, iets voorstellen. Daarom is het zo pijnlijk als we dat gevoel (bv. in onze jeugd) niet meekrijgen. Waarschijnlijk had David dat idee – dat hij er maar bij hing, dat hij er niet bij hoorde, dat hij niet de moeite waard was om erbij geroepen te worden. Als echter blijkt dat God hem op het oog heeft, dan krijgt hij een naam in dit verhaal. Eerst was het de jongste, degene die op de schapen paste. Maar als hij gezalfd wordt, dan wordt voor het eerst genoemd dat hij David heet. Dat geliefde betekent.

Dit principe is nog steeds zo: Je hoeft jezelf niet waar(d) te maken. Je hoeft niet iemand te worden. Als je merkt dat God je op het oog heeft - dat hij iets met je kan en iets met je wil – dan ben je iemand. Als je twijfelt of God jou wel op het oog heeft:   Denk dan aan psalm 139 waar gezegd wordt dat God ons al in de moederschoot zag - nog voordat een mens ons maar gezien had. Denk dan aan Jezus Christus, waarvan voortdurend staat dat hij een mens zag (juist degenen aan wie iedereen voorbij liep). Denk dan aan het kruis van Jezus Christus en dat God zo voor eens en voor altijd liet zien dat we Hem heel veel moeite waard zijn.


(Eindhoven, 25 september 2011, ds. N. de Jong)