Page header
Nieuws Preek van de week Rotsvast geloven (Lukas 22:31-34 en 54-62)
dynamisch-menu-plaatje5.png

Kerkenraad

Gerrit van Maren
Reageren>>

Rotsvast geloven (Lukas 22:31-34 en 54-62) PDF Print E-mail
zondag, 03 april 2011

In onze tijd horen we nogal eens zowel in de kerk als in de maatschappij: sterke figuren... die hebben we nodig! Personen zijn belangrijker geworden dan ideeën. Krachtige persoonlijkheden. Petrus, die was zo iemand. Zijn naam betekent dan ook: rots-man. ’t Ging wel op en neer in zijn leven. Hoogtepunten en dieptepunten. Wat er mee te maken viel, Petrus heeft het meegemaakt. Waar Jezus ging, hij ging mee. Liefst als haantje de voorste. Hij volgt Jezus... hoe dan ook. Vers 33: “Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.”. Hij wilde volgen en dééd het ook. In vers 54 staat er: “Petrus volgde hen op een afstand.”. Weliswaar op een afstand, maar hij deed het toch maar: hij volgde. Dat kon van menigeen niet gezegd worden. Van de anderen horen we niet meer. Van Petrus wel. Al laten ze U allemaal in de steek, ik zal dat nooit doen. Hij houdt vol. Het vervolg is dan een onthutsend gedeelte. Wat blijft erover van de rotsman? Petrus, de rotsman, een rots in de branding volgt. Maar toen het er op aankwam, heeft hij driemaal van Jezus gezegd: “Ik weet niets van Hem, ik ken deze mens niet!”. Petrus valt. De rotssteen valt… als een baksteen. Als Petrus al valt - die zoveel met Jezus heeft meegemaakt -, wie zal dan nog staande blijven?

Voor de hogepriester wil hij wel voor Jezus in actie komen. Als het nodig is, zal Hij wel eens voor Jezus in het vuur springen. Hij heeft zijn plan al klaar. En terwijl hij gericht is op het hele gebeuren, dreigt ineens zijn hele plan in duigen te vallen. Een dienstmeisje komt. “Hé, die daar, hoorde die ook niet bij hem!” O nee, denkt Petrus, nu gaat het mis. Heel zijn plan valt in duigen. “Welnee, Ik ken Hem niet eens”. “Ik ken Hem niet!”. De eerste verloochening is geschied. Niet door de dreiging van de hogepriester, maar door een opmerking van een toevallig voorbijkomend dienstmeisje. Zo’n situatie mag toch niet zijn hele plan doen mislukken. Een tactische handeling van Petrus. “Straks dan zal ik...” Straks als het nodig is. Ja, straks, maar nù gaat het mis! Petrus is al gevallen, voordat hij er erg in heeft. En zelfs dan heeft hij het nog niet door. Snel daarna gebeurt het weer. En ook na die tweede verloochening heeft hij niet eens door, wat hij gedaan heeft. Hij zit na die tweede verloochening gewoon bij de soldaten, zijn kans af te wachten om wat voor Jezus te doen. Vers 59 zegt: “En ongeveer een uur later...”. Tweemaal verloochent hij zijn Heer en het dringt niet tot hem door. Hij is zo vol van zijn eigen plannen, dat hij het niet doorheeft, dat hij al tweemaal zijn Heer verloochend heeft.

Jezus had hem gewaarschuwd. “Driemaal zul je Mij loochenen...” Na twee keer heeft Petrus nog nergens erg in. Je vraagt je af hoe dat mogelijk is. Hij is echt bereid om met Jezus gevangenis en dood in te gaan. Hij is helemaal bezig met de vraag wat hij zal doen voor Jezus, zodat hij niet hoort wat Jezus zal doen voor hem. Hij is alleen maar met zichzelf bezig. Daardoor twee keer: Ik ken Hem niet en hij leeft gewoon verder. Pas na de derde maal verandert Petrus’ reactie. “En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan”. De verloochening is compleet. Driemaal!! Als je iets drie keer zegt, dan staat het echt vast. Maar nu net is Jezus dichtbij hem. En de Here draaide zich om en keek Petrus aan. Driemaal Petrus: “Ik ken Hem niet”. Jezus’ woord is in vervulling gegaan. Jezus draait zich om en kijkt Petrus aan. Dat doet Petrus tot inkeer komen. Hij herinnerde zich de woorden van de Heer. Niet eerder heeft hij door, wat er gebeurd is. Hij herinnerde zich de woorden van de Heer: deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent”. Op dat moment geloofde Petrus pas, dat hij niet geloofd had. Hij had het woord van de Heer niet geloofd.

Geloven: dat is letten, vertrouwen op het woord van God. Wat Jezus in zijn Woord tegen je zegt. Dat woord had Petrus gezegd wie hij was en wat hij zou doen. Maar wat Jezus zei, daar had Petrus toen helemaal geen oor voor. Hij was veelmeer gericht op datgene, wat hij wel eens zou gaan doen voor Jezus. In de verloochening is Petrus’ geloof niet opgehouden. Petrus’ geloof was al veel eerder opgehouden! Hij heeft Jezus niet geloofd, want hij geloofde in zichzelf. Hij dacht dat hij zelf iets was: een rotsman. Petrus’ val: driemaal uitgesproken: Ik ken Hem niet. Is het dan afgelopen met deze gevallene? Voor ons gevoel wel: als de mensen Jezus niet willen kennen. “Ik ken Hem niet” - wat kan dan hen nog redden? Jezus’ voorbede! De Here Jezus had Petrus’ val voorzegd. “Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven”. Maar Hij zei ook: “Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken”. - Ik heb voor je gebeden!

De haan kraait. Jezus kijkt Petrus aan. Eén moment, één ogenblik. Ja, inderdaad, een ogen-blik. Het gebeurde letterlijk en figuurlijk in een ogen-blik. “Als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U” In deze blik ving Jezus de vallende Petrus op. Hij is vol van liefde. Het geloof houdt niet op, omdat de liefde van Christus niet ophoudt. Wat alle woorden niet uitwerken, bewerkt deze blik: “Toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer”. Zo waar als het Woord van Jezus over Petrus’ val is, zo waar is ook het woord over Zijn voorbede. Waar Petrus zegt: Ik ken Hem niet, daar zegt Jezus: dat kan hij nou wel zeggen, maar Ik ken hèm wel”.“Als ik ontwaak, dan ben ik nog bij U”. Niet, omdat ik bij Hem ben gebleven, maar omdat Hij bij mij is gebleven, toen ik Hem losliet.

Petrus was gericht op wat hij moest doen voor Jezus, maar hij had zich mogen richten op wat Jezus voor hem aan het doen was: Hij bidt voor Petrus. Hij staat voor hem in. Nu ging hij geloven in Jezus Christus. Jezus kent Petrus wel. Niet dat ik Hem ken is de basis van mijn bestaan, maar dat Hij mij kent. Wat Simon tot Petrus, tot Rotsman maakt, is juist het geloof, nl. het geloof in Christus, niet in Simon. Petrus is werkelijk een Rotsman door te geloven, te vertrouwen op Christus: het heil buiten zichzelf te zoeken en te vinden in de Rots Jezus Christus: Hij, die voor ons bidt. ”Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken”. Hij is de vaste rots van mijn behoud. Hoe goed is het te bouwen op die vaste Rots, opdat wij niet vallen... uit Zijn hand.

(Eindhoven, 3 april 2011, ds. Machiel van der Giessen)