Page header
Nieuws Preek van de week Sterren tellen! (Gen 15:1-6)
dynamisch-menu-plaatje5.png

Kerkenraad

Gerrit van Maren
Reageren>>

Sterren tellen! (Gen 15:1-6) PDF Print E-mail
zondag, 09 september 2007

Wachten is niet de favoriete hobby van de meeste mensen. Liever vandaag besteld, gisteren geleverd. Hoeveel geduld heeft Abraham? Het is al 10 jaar sinds zijn roeping. Indrukwekkende dingen zijn gebeurd (hoofdstuk 12-14). Beloften over een land, zegen en overvloed. Tot en met die prachtige uitdrukking uit het begin van hoofdstuk 15. ‘Abraham ik ben je schild, je beloning’. Gods handen om Abraham heen; handen die gul uitdelen.

Maar opeens bitst het er tussen uit. Het geduld is op. Wat heeft het voor zin? Het zijn mooie woorden, maar straks sterf ik kinderloos en is heel die beloning voor een vreemde. Abrahams gebed klinkt als een klacht. Abraham, de vader van alle gelovigen. De bijbel portretteert mensen zo heel herkenbaar. Abraham werd niet geroepen omdat hij de beste was, de uitzondering, temidden van de sukkels. En als God verder trekt met deze mens, dan is dat niet omdat Abraham alleen maar goed doet en het allemaal voetstoots aanneemt.

De eerste dialoog tussen God en Abraham laat wel anders zien. Abraham komt hier voor ons te staan in de herkenbaarheid Geloof is geen ding dat je zo in je binnenzak kunt stoppen; ziezo, dat heb ik. Dit eerste gebedsgesprek brengt ons tot een veel weerbarstiger situatie. Het donker, de nacht, de teleurstelling. Abraham zit niet minder dan in de wanhoop. Het is stikdonkere nacht. Wie die nacht niet voor lief wil nemen, zal het licht niet zien doorbreken.

Kom maar op, met die discrepantie tussen woorden en daden. De vraag hoe het zit met de belofte van God. Abraham leert ons één ding heel goed: het uiterst serieus nemen van de belofte van God en niet half tevreden zijn. Hij was rijk, gezien. En toch binnen in hem knaagde die vraag: ik heb een gevuld leven maar de belofte van God is nog niet vervuld.

Abraham krijgt geen commentaar; enkel een herhaling van de belofte. En dan neemt God Abraham mee naar buiten. Abraham zal er zelf niet uit komen; hoe groot zijn geloof ook blijkt te zijn, God zelf moet het aan het licht brengen. Naar buiten. De nacht in. Tel de sterren. Als je kunt. Zo is jouw nageslacht.

Sterren tellen. De sterren vertellen. Het steelpannetje, de kleine beer… de grote God. Sprakeloos kijkt Abraham toe en zonder één woord stemt hij toe. Hij gelooft God op zijn woord.
Sterren tellen. Kijk eens naar de hemel. Geloof is zien, wie God is. Het is niet zomaar iemand die het zegt. Hij is de schepper van hemel en aarde, het uitdijend heelal. Hij is zoveel groter dan wij kunnen bevatten. God is groter dan we ons ooit kunnen voorstellen.

Geen nieuwe belofte, dezelfde. Maar je kijkt er wel anders tegen aan. Niet meer de vraag, maar de aanvaarding. Geloof is vertrouwen, is aanvaarden. Is Gods woord voor waar aannemen. Hoe je dat doet? Het diepste daarvan is een geheim; hoe precies, dat doet Abraham ook niet uit de doeken. Het staat er gewoonweg; van wanhoop tot hoop in een paar woorden. (Daarmee is de aarzeling trouwens nog niet over. Hoofdstuk 15, vanaf vers 7 klinkt hetzelfde liedje van de twijfel.) Geloven is niet, dat je alle aarzeling kwijt bent, maar wel dat je je aarzeling kwijt kunt, bij God, bij zijn belofte.

Zodat wij het zelf durven zeggen. Ja, ik hou het voor waar. Amen zeggen. Geloven, het Hebreeuwse woord heeft te maken met beamen, een basis, dat het zich grondt in je leven. Eerlijk is eerlijk, dat laat zich niet zomaar bewijzen aan een derde. In alle vrijheid ontwikkelt zich dat. Geen mes op de keel van Abraham. Je zult. Maar kijk eens. Tel de sterren. Tel de tekens van God. Zo breekt de overtuiging door. Kijk eens, is het niet betrouwbaar? Het is toch waar, alles wat over God gezegd wordt. Dan gebeurt er iets geweldigs. En de Heer rekende hem dit toe als een rechtvaardige daad.

God belooft, de mens gelooft. Als dat rijmt in ons leven, staan we in de goede verhouding met God. Recht tegenover God. Niet met terneergeslagen ogen: ik weet niet wat ik er van denken moet, ik aarzel. Maar met ogen van verwachting. Ik vertrouw U in wat U zegt. Daarover is God blij: over iedereen die in Hem gelooft, z’n belofte aanneemt.

In de nacht straalt het door Abraham heen: mijn schild en mijn rots, ik steun op uw woord. Recht tegenover God. Er gaat nog van alles mis in zijn leven, echt vanuit het geloof leven is nog niet zo gemakkelijk. Maar Abraham gaat ons wel vooruit. Opdat wij hem volgen in datzelfde vertrouwen, het spoor van vertrouwen. Uw woord is het pad, de weg waar op ik ga, zolang U mij adem geeft, zolang als ik besta. Ik zal niet meer vrezen, want U bent bij mij.
Vraag: welke sterren telt u?